Het is grijs novemberweer met soms een laaghangende verblindende zon. In de auto zwerven veel zonnebrillen. Donatie van de vaste chauffeur? De kinderen gebruiken ze als de zon fel schijnt. Ik zet mijn zonnebril van plastic op, zingt er door mijn hoofd: een dichtregel door Fay Lovsky op muziek gezet.
Zonnebrillen, opgevist uit de auto of van thuis meegenomen, gaan heen en weer van de ene naar de andere neus. Ik wil die roze, nee die met blauwe glazen wil ik, ik wil die van jou met sterretjes. Ja, de wereld ziet er zo veel mooier uit met al die kleurschakeringen.
De vader van Marietje vraagt mij of ik weet waar haar zonnebril is gebleven. Marietje zegt dat Allie hem heeft, maar die ontkent. Ik vraag het toch nog even na bij de moeder van Allie, of zij misschien iets heeft gevonden.
Er is blijkbaar verder op doorgevraagd, want de volgende dag geeft Allie een zonnebril van haarzelf aan Marietje. Schuldbewust, omdat zij die andere wel kapot en kwijt heeft gemaakt. Marietje vindt haar nieuwe bril prachtig en wil nu niet meer wisselen, wat haar medepassagiers niet leuk vinden.
Gedoe…
Allie heeft ook nog een andere zonnebril, eentje met heel erg gekraste glazen. Als Pietje, verkleed als Spiderman, deze bril op heeft wil ook hij die niet meer teruggeven. Een zonnebril met zulke gekraste glazen vangt zijn wereld in een groot spinnenweb.
Het blijft lastig: samen spelen, samen delen.
